Hij leidt me rond in zijn zojuist betrokken woonhuis annex bedrijf aan de Amsterdamse Weteringschans. Op de lichte zolderverdieping ratelen vele naaimachines. De mannen en vrouwen erachter knikken beleefd. Hier worden de zwarte zachtleren Rob-broeken gemaakt, de droom van iedere liefhebber. En de maskers, de tuigjes, de boeien, de kuisheidsgordels, de riemen en de jacks. In de slaapkamer hangen Robs eigen kleren. Vele leren broeken, vestjes en jasjes met en zonder franje, stapels zwarte hemden.
In de keldergang, onder de galerie met homo-erotische kunst, zijn twee kooien uitgespaard. Voor de ene hangt een zware traliedeur met dito sloten, de andere is open. Aan het achterwandje hangen riemen. ‘Ik zet je met je benen wijd tegen het hout, bind je vast en dan kan ik met je doen wat ik wil,’ legt Rob uit.
Achter in de gang is de eigenlijke SM-ruimte volledig ingericht. Aan de wanden hangen zachte maskers, harde gesloten kappen, maliënkolders, balgewichten (‘er zijn mannen die wel tachtig kilo aan hun ballen willen hangen’), zwepen, slips van gevlochten metaal enzovoort enzovoort. Van het schandblok is een altaartje gemaakt. Ervoor staat een rijtje zware druipkaarsen in zwarte kandelaars. Het paard (vergelijkbaar met de bok uit de gymnastiekzaal), het loodzware leren dwangbuis en de supersling (zwaar lederen hangmat) ontbreken evenmin.
Rob toont me trots zijn favoriete zwepen, in Engeland gekocht. Duizend gulden per stuk. De dikke zwarte is met de hand gevlochten. Ik krijg hem niet omhoog. De iets lichtere bruine heeft aan het uiteinde twee dunne touwtjes. ‘Dat werkt als messen,’ verduidelijkt de meester. ‘Kom, dan neem ik je mee naar de medische afdeling.’ In de voorkelder staat een gynaecologische stoel waarin piercings (het aanbrengen van ringetjes in allerlei lichaamsdelen) worden verricht. In glazen kasten liggen tepel- en penisvergroters, stalen cockrings in allerlei afmetingen en voorhuid-stretchers. ‘Dat is het nieuwste. Niemand wil tegenwoordig meer besneden zijn. Ze proberen hun voorhuid op te rekken, willen ze zo’n flopperig dingetje hebben hangen. Snap jij het?’ Een droog hoestje. Twee trappen omhoog, in de gigantische zwart-witte woonkamer met open keuken, moet Rob even uitzuchten alvorens hij een verse sigaret kan opsteken.
‘Ik heb me speciaal voor jou mooi aangekleed,’ zegt hij. Over zijn broek hangt een extra leren lap die het effect geeft van zeer fors geschapen. Aan de rechterpols draagt hij een zwartleren band die doorloopt in de handpalm. Zijn halfhoge laarzen zijn onberispelijk gepoetst. Samen met die opvallend puntige oren heeft hij wel iets duivels, zeg ik. Tevreden leunt Rob achterover. Dan nadert het geluid van een stofzuiger op de trap. ‘Kom hier!’ Een Marokkaanse jongen treedt schoorvoetend binnen. ‘Er wordt nu niet gestofzuigd. Je gaat koffie zetten en de dame wordt als eerste geserveerd.’ De jongen bonkerdebonkt met de stofzuiger naar boven. Rob komt overeind en roept boos dat hij niets maar dan ook niets wil horen. Een medewerker meldt zich om de vorderingen aan een zwartleren diplomatentas te laten zien. Die stiksels zijn rommelig. Kan niet. Opnieuw doen. Het moet perfect. Begrijp je? Perfect.
Ja, meneer Rob.
Rob: ‘Zelf vind ik mijn plezier vooral in de geestelijke SM. Ik heb wel eens een pak slaag gegeven, maar de baas kunnen zijn vind ik het mooist. Hier in de zaak natuurlijk, maar ook daarbuiten. Als ik ’s avonds op de hoek eet hoeft niemand in mijn buurt te komen: wie het waagt krijgt de wind van voren. Dat accepteren ze met een glimlach. Geeft mij een heerlijk gevoel.
Ik ben autoritair, zeg de dingen met een speciale intonatie die mij plezier geeft. Het is een levenshouding geworden. Als meester mag ik geen fouten maken. Dat is de uitdaging.’
Al ligt zijn voorkeur dan meer in het geestelijke, hij slaat graag met een van zijn Engelse zwepen. Vastbinden vindt hij prettig, iemand aan het schrikken maken het einde. Een flink behaard iemand met een beetje olie in wrijven en er vervolgens een vlammetje bij houden. Doet absoluut geen pijn, het brandt niet in, maar het knispert prachtig naar boven.
‘De grootste bevrediging krijg ik als ik beneden iemand weggesloten heb van wie ik weet dat hij daar veel plezier van heeft. Waar ik verder niets aan doe. Als ik beneden kom en ik zie die penis continu druipen, niet van het klaarkomen maar puur van opwinding, vind ik dat ik iets goeds gedaan heb. Iets dat niet op mezelf gericht is.’ Rob bestudeert het puntje van zijn sigaret. ‘Iedereen zei: nu is het afgelopen. Maar Dai, mijn vriendje, en ik hebben een mooier huis gekocht. Het vorige was zo somber.
Als ik moe ben ga ik zitten en als ik uitgerust ben ga ik verder. De opvolging is iets waar ik over pieker, dat wordt het grote punt. Ik ben natuurlijk wel een eigengereid baasje en toch moet ik iemand vinden die alles overnemen kan. Ik ben de enige hier die verstand van het vak heeft. Dai is ook ziek. Toch genieten we. ’s Ochtends zitten we naar de vogeltjes in de tuin te kijken, we hebben speciale huisjes voor ze opgehangen. Zo kan het toch nog jaren doorgaan? Dat mijn benen af en toe niet willen is niet zo erg. Als ik geestelijk maar sterk blijf.’
Rob Meijer is overleden in 1990, maar zijn winkel bestaat nog steeds. Bezoek hier de website.
Bron: VrijNederland 1989













